U bent hier: Home > Veelgestelde vragen > Hoe gaan de tests voor stollingsafwijkingen in hun werk?

Hoe gaan de tests voor stollingsafwijkingen in hun werk?

Er wordt een buisje bloed afgenomen op de gebruikelijke manier. Het tijdelijk onstolbaar gemaakte bloed wordt in het laboratorium gecentrifugeerd waardoor de vloeistof (het plasma) gescheiden wordt van de cellen die zich ook in het bloed bevinden.

In het plasma kan worden gekeken naar de niveaus van de diverse eiwitten. Voor de veel voorkomende afwijkingen Factor V Leiden en protrombine G20210A wordt ook een DNA test uitgevoerd. Voor het bepalen van Factor V Leiden worden op ons lab twee tests uitgevoerd; eerst wordt naar de APC-resistentie gekeken. Bij deze test wordt gekeken of het Factor V in het plasma normaal of minder gevoelig is voor inactivatie door het enzym APC (Activated Protein C of geactiveerd Proteïne C).

Er worden twee stoltests ingezet, één met APC en één zonder APC, waarbij bepaald wordt of de aanwezigheid van APC de vorming van een stolsel vertraagt. In normaal bloed is die vertraging ongeveer drie keer, maar APC-resistent bloed is minder gevoelig en dus wordt de stoltijd hierin minder verlengd. Op basis van de uitslag van de test is er meestal een duidelijk onderscheid te maken tussen normaal bloed en bloed van een patiënt met één of twee Factor V Leiden genen.

Om dit resultaat te bevestigen wordt vervolgens een specifieke test uitgevoerd op het DNA, dat uit de witte bloedcellen van de patiënt gezuiverd is. Deze test is erg specifiek voor de aanwezigheid van de Factor V Leiden-mutatie in het DNA en het is ook goed mogelijk om onderscheid te maken tussen mensen met één en met twee Factor V Leiden-mutaties. De DNA-bepaling voor de protrombine G20210A mutatie verloopt op een vergelijkbare wijze. Op de volgende pagina is het resultaat van zulke tests te zien:

 
Protrombine G20210A:                      M                 O



Gelijktijdige bepaling van de Factor V Leiden en de protrombine G20210A mutaties op DNA-niveau. Het DNA is met behulp van een speciale reactie (de PCR; Polymerase Chain Reaction of Polymerase kettingreactie) vermenigvuldigd. Dit resulteert in twee DNA-fragmenten van een specifieke grootte (zie onder "O" op de bovenste foto).

Vervolgens wordt het DNA met zeer speciale, zogenaamde restrictie-enzymen geknipt. Deze bacteriële enzymen herkennen een bepaalde volgorde van A, C, G en T en zijn daardoor gevoelig voor DNA veranderingen die het gevolg zijn van de afwijkingen. In het geval van de protrombine mutatie knipt het enzym Hind III het bovenste, protrombine-specifieke, fragment twee keer in plaats van één keer. Dit resulteert in een iets kleiner bandje in de patiënt met de enkelvoudige protrombine G20210A mutatie (zie onder "M" op de bovenste foto).

Voor Factor V Leiden is de situatie vergelijkbaar. Hier knipt het enzym Mnl I het onderste bandje één keer minder als de patiënt Factor V Leiden draagt. Op de tweede foto zijn de DNA fragmenten van drie patiënten met Factor V Leiden te zien. Op de derde foto zijn een aantal zeldzame patiënten verzameld, die ingewikkelder combinaties hebben. De geïnteresseerde lezer kan nu zelf bepalen welke combinaties van mutaties deze patiënten hebben. Dit zijn echte patiënten, met ander woorden dit soort combinaties worden ook werkelijk bij trombose-patiënten gevonden. Er is zelfs een geval bekend van iemand die zowel twee protrombine G20210A-genen als twee Factor V Leiden genen heeft. Deze persoon kreeg zijn eerste trombose op de leeftijd van 34 jaar. 



« Terug