Nieuwe antistollingsmedicijnen
Momenteel ontvangen wij veel vragen van patiënten naar aanleiding van de recente berichtgeving over een nieuw antistollingsmedicijn dat beroertes voorkomt en tegelijkertijd controle bij de trombosedienst overbodig kan maken.
In de media werd in 2009 al een nieuw type ‘bloedverdunner’ aangekondigd (dabigatran) dat een doorbraak wordt genoemd in de strijd tegen beroertes. “Mensen met een hartritmestoornis blijken veel minder risico te lopen op een beroerte als ze overschakelen op een andere bloedverdunner”, zo werd gemeld.
Eind 2009 verscheen in de medische literatuur ook een artikel over gebruik van dabigatran bij mensen die een trombosebeen of longembolie doormaakten. Ook daar waren de beschreven resultaten gunstig.
Op dit moment moet worden afgewacht of en wanneer dit middel voor de indicaties hartritmestoornissen (atriumfibrilleren) en behandeling van veneuze trombose geregistreerd zal worden en of het gebruik van deze tabletten ook zal worden vergoed.
Hoewel de resultaten zoals die in de wetenschappelijke publicaties zijn beschreven goed zijn te noemen is het verstandig enkele dingen goed te realiseren.
Hoewel het onderzoek bij vele duizenden patiënten werd uitgevoerd zijn dit toch enigszins geselecteerde patiënten geweest die relatief gezond waren. Bijvoorbeeld mochten patiënten met een afwijkende nierfunctie of een afwijkende leverfunctie niet aan de studie deelnemen. Ook patiënten, van wie gedacht werd dat zij de medicijnen om welke reden dan ook niet goed zouden kunnen innemen, deden niet mee aan deze studie.
Van nieuwe geneesmiddelen worden soms pas op langere termijn bijwerkingen gezien en dat kan ook gelden voor dabigatran.
Naast dabigatran zijn er ook nog enkele andere medicijnen die nu worden onderzocht voor behandeling van mensen met atriumfibrillatie of veneuze trombose. Dit zijn de middelen rivaroxaban en apixaban.
Al deze middelen hebben het voordeel dat er minder invloed is van bijvoorbeeld het dieet en van het gebruik van andere medicijnen. Er zijn overigens toch nog wel enkele andere medicijnen die de antistolling met de nieuwe middelen beïnvloeden, maar de invloed ervan is minder dan nu met acenocoumarol of fenprocoumon. Mede hierdoor is het in principe niet nodig de antistolling te controleren. Een bezoek aan de trombosedienst zou dan ook niet meer nodig zijn. Naast de hierboven genoemde aandachtspunten dient er ook rekening mee te worden gehouden dat een verminderde werking van de nieren het antistollingseffect kan verhogen.
De conclusie op dit moment kan dus zijn dat de nieuwe middelen zoals dabigatran, rivaroxaban en apixaban een belangrijke verbetering kunnen betekenen van de antistollingsbehandeling. Vooralsnog moeten nog nieuwe onderzoeksresultaten worden afgewacht en moeten de medicijnen geregistreerd worden voordat ze kunnen worden gebruikt. Ook moet de vergoeding worden geregeld want de verwachting is dat zij duurder zullen zijn dan de huidige behandeling, inclusief de controles door de trombosedienst.
